Thema:

Hoeve Dieseghem

15 Augustus, 2009 - 16:36

Het eerste spoor van Mortsel dat we in geschreven vorm konden aantreffen is het bestaan van Dieseghem als afhankelijkheid van de Henegouwse Benedictijnenabdij te Lobbes, een stichting uit de 7de eeuw.

In het polypticon, de verzamellijst van bezittingen, uit 869 lezen we ‘… Sunt et in villa quae dicitur Tisingaheim mansi IIII solvit unusquisque pro censu solid.V et porcum I …’ (in de villa die Tisingaheim genoemd wordt zijn er vier mansi. Elk van hen betaalt als cijns 5 schellingen en 1 varken). Zo men bedenkt dat een mansus – in het Nederlands vaak door hova of hoeve weergegeven – 10 tot 12 bunder bedroeg, dan moet er onder Dieseghem 40 à 48 bunder geressorteerd hebben. (1 bunder= 1ha).

Hoe kwam deze abdij in het bezit van Dieseghem?

Witger, een der invloedrijke groten uit de Merovingische tijd (periode tot 751) was in de 7de eeuw de enige graaf of comes die voor onze streken bekendstaat. Indien we geloof mogen hechten aan de ‘vita Gudulae’ was Witger graaf van de pagus Brabant, hoewel het niet uitgesloten is dat hij ook de grafelijke macht uitoefende in de pagus Renensium omdat juist in het land van Rijen de dorpen van Witger te vinden zijn. Witger was gehuwd met Amelberga, verwante van Pepijn van Landen. Als bruidsschat had hij van haar de villa Dieseghem gekregen. Wanneer zij beiden in het klooster traden, Witger in Lobbes en Amelberga te Malbode, werd Dieseghem geërfd door hun dochter Reinhildis, geboren in Condacum Castrum super Scelt (in Condé?/in Kontich? Aan de Schelde). Zij had, voor ze in 660 naar het Heilig Land vertrok, de villa samen met haar andere bezittingen aan de abdij geschonken. Reinhildis stierf als martelares in Saintes.

In de periode na Karel de Grote en door de invallen van de Noormannen zagen wereldlijke heren de kans schoon om zich van de kerkelijke goederen, eigendom van ver afgelegen abdijen zoals Lobbes, meester te maken. Van de 180 villae in 869 in het polypticon vermeld, bleven er op het einde van de 12de eeuw nog amper 30 over. Rond 1148 komt Lobbes opnieuw in het bezit van Mortsel (-kerk), doch slechts 1/6 van de tienden (tiende = het tiende deel van iets als opbrengst aan de kerk). Het grootste deel was te Mechelen verzeild. Vermoedelijk door schenking van de Berthouts die van 1295 Cantincrode in leen hadden.
De villa en haar toebehoren bleven vele eeuwen in bezit van de abdij. In het Knopboeck van de kerk van Mortsel uit 1453 lezen we: item een bosch gheleghen in die goede van Diseghem toebehorende den abt van Lobus.

In het ‘Hof van Dieseghem’ werd recht gesproken. Het betrof hier een laathof, waar enkel geschillen over cijnsrecht werden beslecht. De oudste documenten vermelden er reeds een schepenbank bestaande uit zeven leden en een meier. Cantecroy, tot 1295 een allodium, was mogelijk niets anders dan een uitbouw van de vroegere ‘villa capitanea’ van Dieseghem en was er tot 1573, toen het in handen kwam van kardinaal de Granvelle, dan ook cijnsplichtig aan.
De vereniging in één hand betekende het einde der zelfstandigheid van het laathof. Het domein bestond toen nog uit 48 bunder weide, bos en landbouwgrond en, speciaal vermeld vier bossen met een oppervlakte van 8 bunder (Vuytganck, Hoeckbosch, Huysbosch en Haselbosch.)
De schepenbank brokkelde verder af. Alle gewichtige zaken werden op Cantecroy of in het gerechtshuys afgehandeld.

Het cijnsboek uit 1613 bevat voor het merendeel gronden onder Mortsel en Edegem, maar ook Wilrijk en Deurne worden vermeld en een enkele maal Boechout, Hove en Lint. Onder de eigendommen ook de windmolen in het molengehucht.

Wanneer alles in 1615 wordt verkocht aan Jan de Cordes gaat wel het cijnsboek en 1/6 der tienden mee over, maar niet het patronaatsrecht over de verschillende parochies; dat recht blijft voortaan verbonden met de heerlijkheid van Cantecroy.

Het domein zelf ondergaat een flinke aderlating in 1672 wanneer Lanseloot François de Cordes 35 kleine percelen verkoopt, samen nagenoeg 21 bunder.

Wat er nog overblijft, wordt in 1760-61 door zijn kleinkinderen verkocht in 13 kavels. Op 5 november 1760 werd de hoeve met huis, stallingen enz. en het cijnsboeck, dat jaarlijks 32 tot 33 gulden opbracht, voor 14.594 gulden verkocht aan Peeter Vervliet en Elisabeth Lanckpaep.

In 1770 liet Arn. de Prêt de goederen van Dieseghem opmeten: .41 bunder en 225 roeden. Op het plan van landmeter J. Govaerts zien we dat buiten de hoeve en het hof van Disegem, groot 18 bunder en 363 roeden, het domein verder nog bestond uit de hoeve bij den Waesdonck (6 percelen: 11 bunder en 50,5 roeden) en de hoeve d’Eghstraet (5 percelen: 9 bunder, 363 roeden.). Een lijst der panden cijnsroerig aan den hove van Diesegem uit 1778 bevat toch nog 45 namen van personen, die voor hun vaak diverse bezittingen jaarlijks nog een bedrag in geld en in evene schuldig zijn. De meeste van deze goederen zijn gelegen op Waesdonck en Luithagen: de Oude Pantgate (Waesdonck), de Sodt, de Meerminne en De Leeuw in Luithagen. Hoewel het grondgebied van Dieseghem reeds veel kleiner was, waren er toch nog eigendommen in Edegem, het Hof Ter Linden, en de Nijverdonck, en de Amptmanshoeve in Deurne – Wijnegem.

Uiteindelijk verwierf de familie Gilles de Pélichy het domein door erfenis.

Verder verbrokkelde het door deling aan de families Ullens, van de Werve, de Witte en d’Ursel.

Ook de spoorwegen eisten een grondafstand.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het grootste gedeelte van deze bezittingen na verkaveling verkocht en ontstond de wijk Dieseghem. In 1958 komt de enige nog bestaande hoeve van Dieseghem in handen van de gemeente.

Ze wordt een eerste maal gerestaureerd in 1963-65.

Op zondag 30 september 1979 gingen het rieten dak en het dakgebinte in vlammen op.

Na een lange lijdensweg van het restauratiedossier werd gestart met herstellings- en renovatiewerken onder impuls van de toenmalige voorzitter van de Mortselse Heemkundige Kring, Johan Fleerackers. Het zou duren tot 23 april 1994 alvorens ze weer in gebruik kon worden genomen met een nieuwe functie als vergader- en ontmoetingsruimte. Nu maakt ze deel uit van het Cultuurcentrum.

Rode – broek – veld: Frankische villastructuren

In de Merovingische en Karolingische periode situeerde het bestuur en het beheer zich per villa en niet per territorium. De Frankische grootgrondbezitters verdeelden hun grond in twee delen : de reserve (het gedeelte dat zelf uitgebaat werd) en de tenure (gedeelte in uitbating gegeven).
De reserve bestond op haar beurt uit drie delen: het domeinhof, de weilanden (broeken) en de bossen. De driejaarlijkse wisselbouw werd er toegepast. De Rode-velden behoorden tot deze gebieden. Zo groeide Cantincrode, een rodeveld van de villa in Mortsel, uit tot een heerlijkheid. Vele rodevelden waren verbonden met het suffix –inc. In Mortsel herkennen we dat in Cantincrode – Cantecroy, Zaaldenrode – Salincrode, waarbij Cantinc en Salinc de lieden noemen die het land gerooid hebben of die er op enig moment de bezitters van waren.
Verder kwamen deze rodevelden afzonderlijk voor of met twee tegelijkertijd om met andere velden een driedelige reeks te vormen, SalincrodeCantincrodeDieseghemhof. Meestal was aan deze velden een molen verbonden, die zijn naam gaf aan het reserveveld. De weilanden van de reserve vinden we terug als een ‘broek’-toponiem (Ellebroeken). Zij waren van nut voor de veeteelt die economisch zeer belangrijk was in de Frankische periode.
Het tweede deel van het Frankische grootgrondbezit was de tenure, die een of meer boerenkouters rondom een heem bevatte en verder een aantal alleenstaande hoeven (mansi). In de zevende eeuw werden in wat later België zou vormen, een aantal kloosters gesticht die met de uitbouw van de villa’s zijn begonnen, onder hen Lobbes. De heem-nederzettingen werden in villaverband ingeschakeld om de gronden van de reserve te helpen bewerken. De bouwlanden van de nederzettingen behoorden toe aan de gemeenschap en men bewerkte het land in onderlinge verstandhouding. Bij elke nederzetting hoorde ook een uitgestrekte heidevlakte. De oppervlakte van het bouwland was immers afhankelijk van de plaggen die men er kon steken en die gebruikt werden als bemesting. De heidegronden hadden in die zin een dubbele functie : zij dienden als weide voor de schapen en als leverancier van plaggen. Het toponiem veld betekende dan ook oorspronkelijk een gemeenschappelijke heidezone, die in latere tijden in landbouwzone werd omgezet. Bovendien rekende de dorpsgemeenschap ook nog op een gemeenschappelijk houtland, dat dikwijls werd aangeduid met ‘hage’ (Luithagen). In deze bossen werden bovendien de zwijnenkudden gedreven die vooral verlekkerd waren op afvallende eikels.

Van landbouw tot industrie in Mortsel

Een grote vuurstenen, gepolijste bijl uit de neolitische periode (3.500 voor Christus) in Mortsel opgegraven getuigt van een gevorderde handelsgeest bij de toenmalige bevolking, ze werd namelijk vervaardigd in Henegouwen. Ook de Romeinen hebben deze streek bevolkt, zie maar naar de resten die er in het begin van de jaren ’60 opgegraven geweest zijn in de Steenakker. Over hun handel hier is weinig bekend.
Omstreeks 358 verschijnen de Franken, op zoek naar goede landbouw- en weidegronden, in onze gewesten. De Frankische grootgrondbezitters verdeelden hun grond in twee delen : de reserve (het gedeelte dat zelf uitgebaat werd), en op haar beurt bestond uit drie delen : het domeinhof, de weilanden (broeken) en de bossen, en de tenure (gedeelte in uitbating gegeven) die een of meer boerenkouters rondom een heem bevatte en verder een aantal alleenstaande hoeven (mansi). Naast de nederzettingen maakten ook de hoeven of mansi deel uit van het tenuregebied.
Veelal lagen zij zeer verspreid. Gemiddeld waren er zo’n 10 tot 12 mansi per villa. (Dieseghem had er 4). De driejaarlijkse wisselbouw werd er toegepast.

De heem-nederzettingen werden in villaverband ingeschakeld om de gronden van de reserve te helpen bewerken. De bouwlanden van de nederzettingen behoorden toe aan de gemeenschap en men bewerkte het land in onderlinge verstandhouding. Bij elke nederzetting hoorde ook een uitgestrekte heidevlakte. De oppervlakte van het bouwland was immers afhankelijk van de plaggen die men er kon steken en die gebruikt werden als bemesting. De heidegronden hadden in die zin een dubbele functie : zij dienden als weide voor de schapen en als leverancier van plaggen. Het toponiem veld betekende dan ook oorspronkelijk een gemeenschappelijke heidezone, die in latere tijden in landbouwzone werd omgezet. Bovendien rekende de dorpsgemeenschap ook nog op een gemeenschappelijk houtland, dat dikwijls werd aangeduid met ‘hage’ (Luithagen). In de zevende eeuw werden in België een aantal kloosters gesticht die met de uitbouw van de Frankische villa’s zijn begonnen, onder hen Lobbes. Mortsel wordt een landbouwgemeente en dat zal zo blijven tot de eerste Wereldoorlog.

Zulks belette evenwel niet dat tot in de tweede helft van de XVIe eeuw te Mortsel toch nog talrijke heidegronden voorkwamen. Maar in 1570 waren alle gronden “sijnde dore de menichte van volc, totten labeure gebracht”. Doch lang zou die voorspoed niet duren. Het beleg van Antwerpen, met al zijn rampzalige gevolgen, trof ook de landbouw dodelijk. Waar voorheen circa 500 bunder grond “bewonnen” werden, zou het tot 1588 duren vooraleer men weer 35 to 36 bunder kon bewerken. Omstreeks 1590 verbeterde de toestand, doch van de vroegere 32 ploegen waren er nog maar 5 tot 6 terug in gebruik. Vermits er, bij de verwoesting van het dorp, slechts drie schuren rechtbleven, waren de boeren genoodzaakt te dorsen in open veld. In 1593 werden weer 100 bunder bewerkt, maar men was gedwongen elders paarden te ontlenen om de ploegen te kunnen gebruiken. Waar vroeger koren, tarwe, haver, boekweit, erwten en bonen werden gewonnen, beperkte de produktie zich tot in het begin van de XVIIe eeuw vooralsnog tot koren en boekweit. Het gaat steeds beter en bij de opmeting van 1683 vinden we 16 bunder bos tegenover 467 bunder zaailand.

Zoals nu nog steeds was het lot van de boeren afhankelijk van de weergoden. In augustus 1655 vernietigde hagel alle granen en hofvruchten waardoor er weer grote armoede ontstond. Maar de grootste ramp trof de boeren en pachters in de winter van 1739 - 1740. Door vorst en koude schoot er van de 443 bunder grond geen 120 bunder meer over. Ongeveer 3/4 was verwoest. De schaarste aan voedsel was zo groot dat vele dorpelingen moesten gaan aankloppen bij de Tafel van de Heilige Geest en vele dieren bij gebrek aan het nodige voedsel stierven.

Een telling van 1747 leert ons dat er van de 125 gezinnen die toen in Mortsel verbleven er 39 uitsluitend van de landbouw leefden, meestal waren het pachters. Naast hen staan er nog verschillende opgetekend die gronden bewerkten en dieren in hun bezit hadden, maar die de landbouw en de veeteelt slechts als cumulatie-activiteit beoefenden. Hun hoofdfunctie was vorster, schoolmeester, herbergier en dergelijke.

Zo zien we dat in 1794 102 gezinnen (van de 160) over 425 dieren beschikten. Het groot aantal dieren in de gemeente tijdens het Oud Regime, vormt een fundamenteel kenmerk van onze landbouw. Alleen daardoor (door de mogelijkheid tot het bekomen van meststoffen) kan men uitleggen hoe zwaardere, veeleisende culturen als vlas, tarwe en dergelijke een vooraanstaande plaats konden bekleden in een overwegend zanderige bodem. Volgens een officiële statistiek van 1846 waren er toen te Mortsel 181 landbouwbedrijven, waaronder twee van 30 tot 35 hectaren. Slechts 75 van de 606 hectaren landbouwgrond was in eigendom aan de gebruikers, de rest werd gepacht. Er werd vooral rogge, tarwe, aardappelen, klaver, haver, gerst, boekweit en vlas verbouwd. Het dagloon van de veldarbeiders was, boven de voeding, 82 centiemen voor de mannen en 55 centiemen voor de vrouwen.

De klei, die in de ondergrond eveneens voorkomt, werd in de XVIe en volgende eeuwen gebruikt tot het vervaardigen van baksteen. Op een oude afbeelding van Cantincrode vinden we aan de noord-oostkant een steenbakkerij terug en nog heden leveren uithollingen van de grondlagen in die buurt, het bewijs van vroegere groeven.

Een overgang van landbouw naar nijverheid vormde de windmolen, voor het eerst vermeld in 1295. Hij schijnt één van de eerste geweest te zijn welke hier te lande opgericht werd: immers de invoering van deze gevleugelde gevaarten dateert slechts van de twintig laatste jaren van de XIIe eeuw. Verwoest wellicht in 1584, duurde het tot einde 1596 vooraleer men een molenaar vond die bereid was op eigen kosten een nieuwe molen op te timmeren. Deze molen bleef staan tot hij in het voorjaar van 1890 werd afgebroken.

Ambachten en neringen.

Men mocht destijds niet zonder meer naar een ander dorp verhuizen en er een stiel uitoefenen. In elke gemeente was het vereiste aantal ambachtslieden, in verhouding tot de globale bevolking, bepaald. Slechts wanneer een van hen stierf, kon een nieuwe kandidaat zich tot de drossaard en de schepenen wenden met de vraag de open gekomen plaats te mogen innemen.
Buiten landbouwbedrijven bestonden er voor de verwoesting van 1583, voornamelijk in de Luithagen, vijf brouwerijen, zes uitspanningen en een “menichte neiringen”. In 1685 echter klaagde het Antwerps bestuur erg over de achteruitgang van handel en nering. Dat veroorzaakte een vermindering van de bevolking die op haar beurt het slinken van de stadsinkomsten met zich bracht. Juist op dat moment moest de stad een som betalen van 800.000 gulden. In ruil voor de betaling vroeg Antwerpen dat de regering het aantal ambachten in de omliggende dorpen zou inkrimpen. Zo hoopte men de concurrentie van het platteland te vernietigen en de overtollige ambachten naar de stad te lokken. In 1688 vernietigde een Antwerpse ordonnantie alle brouwerijen, ambachten en neringen in de Luithagen. De regering zag echter spoedig haar fout in en, de brouwerijen uitgezonderd, bleef alles tot in 1719 zoals het was. In 1730 kwam er een nieuwe maatregel en alle ambachtslui die hun stiel nog geen twaalf jaar in het dorp hadden uitgeoefend moesten verdwijnen. In de Luithagen verdwenen toen: een gareelmaker, een broodbakker - winkelier, een huidevetter - schoenmaker, drie wagenmakers, een slotenmaker, twee smeden en één kuiper.

De economische telling van 1747 hangt volgend beeld op van ons dorp: buiten de landbouwers waren er 34 handwerkers in dienst van ambachtslui, 14 herbergiers, 5 brouwers, 4 hoveniers, 3 timmerlieden, 3 wevers, 3 wagenmakers, 2 kleermakers, 2 gareelmakers-herbergiers, 2 schoenmakers, 2 metsers, 1 vorster, 1 klompenmaker-herbergier, 1 koster-schoolmeester, 1 winkelier-herbergier, 1 molenaar, 1 smid-herbergier, 1 kapelaan, 1 pastoor, 1 meier, 1 schaliedekker en ten slotte 1 chirurgijn.

In het begin van de XIXe eeuw waren er volgens de telling van 1808, 80 landbouwers, 51 zelfstandige ambachtslui, 34 werklieden (dagloners) en 12 handelaars. Ook tijdens het Hollandse bewind veranderen de cijfers weinig. Alle geproduceerde goederen waren voor plaatselijk gebruik bestemd.

Rond 1830 trof men in de landbouwgemeente Mortsel twee brouwerijen (die gemiddeld 4160 hl bier brouwden), een kaarsenfabriek, een bloemmolen, vier hoefsmeden, twee zadelmakers, vier kuipers en twee wagenmakers aan. De volgende vijftig jaar veranderde er bijna niets.

Tot en met de Eerste Wereldoorlog bleef de landbouw in Mortsel primeren. Zoals in de eeuwen daarvoor slorpte hij de meeste arbeidskrachten op en nam vrijwel alle gronden in beslag.

Slechts na de verplaatsing van het economische leven van de oude dorpskern rond de St.-Benedictuskerk naar de Oude-God, evolueerde het economisch leven van Mortsel naar de lichte nijverheid. In 1876 richtte Pieter Reypens een nieuwe mouterij op, voorbeeld dat in 1880 gevolgd werd door de kinderen Huybrechts. Een jaar daarvoor was Jacques Blockx met een verf- en vernisfabriek begonnen. 1897. De Franco-Belgische Maatschappij voor het vervaardigen van fotografische papieren L. Gevaert en C° verscheen in de Heilig Kruisstraat. Zeven jaar later zou het bedrijf met zijn 150 werknemers naar hun huidige locatie verhuizen. In 1899 ontstond de eerste ijzer- en kopergieterij: Struyf en Coppens (later de fabriek N.V. Mertens) in de Deurnestraat. Een tweede dergelijke nijverheid dateert van 1909 (de firma Geerts en Van Aelst). Die firma ontstond in 1909 als fabriek voor het inleggen van groenten en werd in 1913 hervormd tot een constructiewerkplaats. Van 1910 tot 1912 kende de diamantslijperij een aanzienlijke bedrijvigheid te Mortsel.

Rond de eeuwwisseling werden onze nijverheden als “zeer aanzienlijk” bestempeld. Vermelden we op de eerste plaats Gevaert, een ijzergieterij, een tabaks- en schoenfabriek, vier brouwerijen, enkele diamantslijperijen en een mouterij. In 1912 kwam er nogmaals uitbreiding: twee nieuwe brouwerijen en een werkplaats voor parketvloeren voegden zich bij de bestaande firma’s. In de tien jaar van deze eeuw vestigden zich heel wat werklieden in Mortsel.

Gevaert was de grootste werkgever (rond 1910 goed voor 46 % van alle tewerkgestelden in Mortsel) en in sociaal opzicht zijn tijd ver vooruit. Sinds 1900 kreeg elk lid van het personeel en aandeel in de winst uitgekeerd. In hetzelfde jaar ontstonden ook avondcursussen in de fabriek. Op 1 juli 1905 werd op initiatief van Lieven Gevaert een mutualiteit opgericht, met ziekenkas, pensioenkas, enz. Een speciaal steunfonds, om de stortingen aan de mutualiteit aan te vullen werd hieraan verbonden. Zo was het mogelijk, in geval van ziekte, aan elke werknemer drie maand volledig salaris toe te kennen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontvingen de vrouwen of de ouders van hen die soldaat waren een vierde van hun loon. Toelagen werden uitgekeerd aan de weduwen en wezen en ouders van gesneuvelde arbeidskrachten. In die jaren stichtte Gevaert een comité voor hulpverlening aan zieken en verzwakten en liet eetwaren, kleren en steenkolen uitdelen.

Waar de landbouw in 1910 nog een oppervlakte van iets maar dan 396 ha besloeg, verminderde die nu stelselmatig. Braakliggende gronden en bossen verdwenen om plaats te maken voor fabrieken. Hoewel de vestiging van de industrie in onze gemeente vóór 1914 reeds een feit was, beleefden we slechts tussen 1920 en 1940 de eerste “grote” opgang ervan.

Zo vestigde de toen reeds wereldvermaarde autofabriek Minerva zich in 1921 aan de Vredebaan en kocht in 1923 de firma Ooms aan de Krijgsbaan een terrein op en zette er een fabriek voor het vervaardigen van ovens, machines en installaties voor het vervaardigen van brood-, banket-, en koekjesbakkerijen. Twee jaar later verhuisde Antverpia - Roelants van Borgerhout naar Mortsel. Zij maakten radiatoren. Dat zelfde jaar telden we te Mortsel 31 “voorname bedrijfsondernemingen” met in totaal 3578 arbeidskrachten. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vonden we 11 bedrijven die elk meer dan 50 personen tewerk stelden en 5 bedrijven met elk tussen 10 en 50 arbeiders in dienst. Waarvan Gevaert, Roelants, Lecluyse, Mertens, Lachappelle, N.V Constructiewerkplaatsen van Mortsel, Biscuiterie Jespers, Ooms, de brouwerijen De Populieren en gebroeders Hermans, bouwfirma Van Rompaey en Raedschelders en firma Van Camp de belangrijkste zijn.

Toch zijn de meeste firma’s na de oorlog kleine, voorheen ambachtelijke nijverheden die in de dagelijkse behoeften voorzien: woning, kleding, voeding en blijft Mortsel een bij uitstek middenstandsgemeente.